Outsider Bruno Versavel wint eerste Gouden Schoen
Niet Matias Suarez maar Bruno Versavel (44) heeft de Gouden Schoen 2011 in de wacht gesleept. Suarez was in de tweede stemronde over Axel Witsel (ex-Standard) en Thibaut Courtois (ex-Genk) gesprongen en werd aanvankelijk uitgeroepen tot winnaar. Nu blijkt dat bij die uitslag nog niet alle stemformulieren verwerkt waren. Zo wipte de Vlaams-Brabander in extremis over de Argentijnse Anderlecht-spits. “Ik ben totaal verward, want ik had dit helemaal niet verwacht. Zeker niet aangezien ik vijf jaar geleden gestopt ben als prof”, zei Versavel na afloop. “Maar ik was toch ook ontgoocheld geweest als ik niet had gewonnen.”
De organisatie heeft het over een jammerlijke dwaling. “Pas bij het opruimen in het casino van Oostende viel mijn oog op een oude kartonnen doos die in ons lokaal was blijven staan” vertelt Wouter Devynck van Het Laatste Nieuws. “Toen ik ze opende, heb ik vastgesteld dat er nog een heleboel stemformulieren uit 1990 inzaten. Volgens onze reglementen moeten we die verwerken, en zo is de nieuwe uitslag tot stand gekomen. Dit is uiteraard heel vervelend. Gelukkig is dit onze eerste blunder. Zo hebben we Axel Witsel nooit vergeleken met een kindermoordenaar, om maar eens een totaal absurd voorbeeld te geven.”
De tweede ronde van het seizoen 1989-1990 gaf uiteindelijk de doorslag bij de stemming. Bruno Versavel was toen de smaakmaker van een zwierig KV Mechelen. Zoals Peter Vandenbempt voor de uitreiking van de Gouden Schoen aangaf, is het moeilijk om enkel op basis van de huidige jaargang te winnen. “Want in de zomervakantie blijven de stemformulieren vaak liggen”, wist de Sporza-journalist, “en in alle andere vakanties eigenlijk ook. Dat doet mij er aan denken dat ik dringend eens mijn formulier voor ’94-’95 moet indienen.”
De grootste Smiths-fan ooit
Er is op het hele wereldomspannende web maar één site die ik van achter naar voor uitgelezen heb: die van de Leuvense schrijver San F. Yezerskiy (26). Het is dan ook met nauwelijks verhulde trots (eerlijk: ik glim als Jean-Marie Dedecker in een Finse sauna die vol affiches van Jean-Marie Dedecker hangt) dat ik jullie hier een interview met de man mag aanbieden. Reacties zijn welkom, zij het enkel in blokletters; vandaag is het immers CAPSLOCK DAY.
Voor yay infidels die niet op de hoogte zijn: op z’n weblog www.soren.be plaatst San F. Yezerskiy zo’n drie keer per week mooie stukjes over alles wat fout gaat in de wereld en vooral hoe je dat even kan vergeten. Hij schrijft er over film, over vroeger en over mevrouwen in al hun verschijningsvormen. Met de ‘Joke Schauvliege Challenge 2010’ probeert hij ondertussen de vaderlandse theaters van de leegstand te redden. Held.
Omdat zelfs schrijvers tegenwoordig crossmediaal moeten denken, was hij vorig jaar geregeld te horen in het Radio 1 programma ‘Het Laatste Uur’, dat luisteraars uitnodigde om hun persoonlijke verhaal bij een plaat te vertellen. Uiteraard is hij ook op Twitter terug te vinden. Sinds september 2009 zijn daar tweewekelijkse columns voor deredactie.be bij gekomen: ‘Ik kan het toch geen werk noemen als iemand mij komt vragen om te doen wat ik altijd doe: mij halfverdrietig door het leven krabben en daar af en toe iets bij opschrijven?’
Tot zover het uitstalraam. Achterin het eenmansbedrijfje wordt werk gemaakt van een eerste novelle. Die valt vooralsnog onder het fabrieksgeheim, net als de ondergrondse sweatshop. Op alle andere vragen wilde hij wel ingaan.
Toen je je site maakte, heb je gedacht: ‘Ooit gaat iemand vragen waar de naam ‘Soren’ vandaan komt.’ Je hebt er vast ook bij gedacht: ‘Ze gaan mij vragen of het iets met Søren Kierkegaard te maken heeft.’
Eerst en vooral: ik heb helemaal nergens aan gedacht toen ik de site begon. Mijn huidige huisgenoot, toen nog gewoon een studievriend, had net een blog opgezet en ik heb daar op tien minuutjes tijd een kleine persiflage op gemaakt – gewoon om hem uit te lachen. Die berichten staan er nu nog steeds.
Ik had geen publiek in gedachten en ook al zou het hypocriet zijn om te beweren dat dat nu nog steeds het geval is, is dat publiek zeker niet mijn eerste zorg.
Sören, om niet langer rond de pot te draaien, was de laatste naam van een muziekgroepje waarin ik lang geleden speelde. Naast mij was er nog één andere jongen, die ik vandaag niet meer ken. Ik schreef de teksten, hij maakte daar liedjes van. De naam komt inderdaad van Kierkegaard, omdat ik één van zijn citaten gebruikte als beginselverklaring:
And people crowd around the poet
and say to him, “Sing again soon,”
– in other words, may new sufferings torture your soul,
and may your lips continue to be formed as before,
because your screams would only alarm us,
but the music is charming.
Het oudste stukje op je site is van begin 2007. Het kan haast niet anders of je schreef daarvoor ook al. Er is http://www.ikbensan.blogspot.com/, maar wat ging er daar aan vooraf?
Ikbensan was gewoon de oude plaats voor dezelfde site. Toen het muziekgroepje implodeerde heb ik de blog verplaatst en uitgebreid. Dus daarvoor waren er liedjesteksten, een paar verhalen die ik nooit heb afgemaakt, brieven die de moeite van het lezen niet waard zijn en een handvol recensies over muziek en film. Niets meer dan dat.
Je schrijft columns voor deredactie.be en bent bij mijn weten de enige Vlaamse blogger die de oversteek naar een massamedium gemaakt heeft. Hoe bevalt dat?
Ik heb twee problemen met die vraag. Ten eerste zie ik mijzelf niet als een blogger, want de meeste bloggers zijn behoorlijk saai, schrijven tekstjes die niemand wil lezen in een stijl die langs alle kanten rammelt en veranderen in commerciële hoeren zodra iemand een gadget in hun brievenbus schuift.
Ik schrijf ook tekstjes die niemand wil lezen, maar ik stop daar best veel tijd in en ik doe het helemaal voor mezelf. Om nieuwe dingen uit te proberen en mezelf te dwingen om toch drie keer per week iets te schrijven. Ik heb niet de behoefte om in het Grote Lijstje van Vlaamse Bloggers te staan. Liever niet, zelfs.
Ten tweede verschijn ik wel af en toe op een massamedium, maar noch mijn radio-optredens vroeger, noch die stukjes op deredactie.be bereiken echt een massapubliek. Ik denk dat je dat nogal overschat. Het zijn opstapjes naar meer, niet het meer zelf. Maar het bevalt, anders zou ik het niet doen.
Kan je in 140 tekens of minder zeggen wat dat ‘meer’ is?
Nu probeer ik een novelle en een toneelstuk. Als blijkt dat ik dat kan, blijf ik dat doen. Zo niet word ik een gefrustreerde boekenverkoper.
Je tekent nogal knullige, maar best wel aandoenlijke prentjes. Heb je al overwogen om strips te maken?
Ik teken regelmatig, maar dat betekent niet dat ik het graag doe. Als ik een gevoel van melancholie wil neerschrijven, gaat dat vaak sneller in een tekeningetje dan in twee alinea’s tekst, zelfs als we er even van uitgaan dat ik meteen de juiste woorden zou vinden.
Neem nu dit: dat heb ik getekend tijdens een optreden van Wolf, toen Laura Verlinden in een bindtekst het verhaal achter een nummer uitlegde. Het ging, vertelde ze, over een mevrouw die op het strand staat in het Oostende van de jaren vijftig en in de verte een boei ziet drijven. Ze denkt dat het een mens is en zwemt ernaar toe om kennis te maken, maar wanneer ze eindelijk aankomt is er niemand te zien.
Het gevoel dat ik bij zo’n nummer krijg, wil ik onthouden en later opnieuw kunnen oproepen. Als dat kan met een tekst, schrijf ik een tekst. Als ik daarvoor iets moet tekenen, teken ik iets. Misschien zet ik die schets daarna netjes in inkt, misschien niet.
Ik heb niet de indruk dat jij al te hoog oploopt met je eigen generatie. In een treffende column heb je het over ‘Generatie A, met de A van apathie’.
Ik zal zelden iets openlijk aanvallen waarvan ik zelf geen deel uitmaak. Die column is in de eerste plaats zelfkritiek, geschreven op het moment dat ik mijn eigen uitstelgedrag en apathie kotsbeu was. Natuurlijk wist ik wel dat andere mensen zichzelf daar ook in zouden herkennen, omdat ik zie hoe veel van mijn vrienden zich hetzelfde gedragen, maar dat ik zoveel reacties zou krijgen, had ik echt niet verwacht.
Er zijn dingen die mij storen aan mijn generatie, dat is zeker zo, maar ik erger mij minstens evenveel aan de generaties daarvoor en daarna. Het kan alleen maar nuttig zijn om wat er schort eens te benoemen, zeker wanneer de oplossing zo simpel is: hou op met janken en doé iets. Waarschijnlijk is het eerder het probleem van een subcultuur dan van een hele generatie. Mijn kringetje van alfa- en gammawetenschappers die wel een droomberoep voor ogen hebben, maar twijfelen aan hun eigen kunnen en goed beseffen dat er voor elke plaats die beschikbaar is, driehonderd kandidaten staan te trappelen.
Maar ik ben optimistisch. Ik kan al zeker vier kennissen bedenken die dit jaar hun job opgezegd hebben, sommigen zelfs zonder uitzicht op iets anders, om te gaan doen wat ze echt willen doen. Ik heb nieuwe vrienden gemaakt die dit jaar zullen afstuderen en ik zie hen toneelstukken schrijven of naar Amsterdam reizen om te headlinen op poëziefestivals. Alleen heeft iedereen af en toe iemand nodig die hem wakker schudt. Ik nog het meest van al. Ik heb een tijdje zo iemand gehad, nu moet ik het zelf doen.
Het is erg onaantrekkelijk om een succesvol auteur te zijn. De geforceerde, niet in het minst voor het publiek ongemakkelijke literaire gesprekjes. Er publiekelijk voor moeten uitkomen dat je schrijver bent. De eerste recensies afwachten. Ben je daartegen bestand?
Laat ik eerst maar iets bewijzen, nietwaar? Maar om niet elke hypothetische vraag meteen weg te vegen: elk gesprek met mensen die ik niet goed ken lijkt geforceerd en ongemakkelijk. Het kan alleen maar een voordeel zijn dat er in dit geval een duidelijk onderwerp is en dat ik zelf geen vragen hoef te verzinnen. Zeggen dat ik een schrijver ben doe ik niet, zelfs niet nu ik er nochtans mijn geld mee verdien. Ik betwijfel dat ik dat ooit wel zal doen.
Met kritiek kan ik heel moeilijk om. Ik denk dat dat komt omdat ik al overdreven kritisch ben voor mezelf. Als ik iets zelf niet goed genoeg vind, moeten andere mensen dat niet nog eens komen bevestigen, zoiets. Tegelijk vind ik ook van mezelf dat ik alles erg goed, té goed kan relativeren. Jammer genoeg komt dat pas veel later, als een tweede golf.
Een ongelofelijke rotvraag tot slot: waar zou je over vijf jaar willen staan?
Hier antwoord ik niet op. Ik vind het vreselijk om plannen te veranderen, dus probeer ik er zo weinig mogelijk te maken.
Van dit videootje heeft San F. Yezerskiy ooit gezegd dat het op zijn begrafenis moet worden afgespeeld. Ik ben hem vergeten vragen of hij liever gecremeerd of ter aarde besteld wil worden.
Tihange, Tihange
Oud België was de zoveelste succesvolle serie in het zondagavondslot van één. Als u dit programmavoorstel leest, zal u duidelijk worden dat Tihange, Tihange de enige logische opvolger is.
Tagline: De Next Level Postbus X.
Setting: de gezellig oubollige kerncentrale in Tihange.
Personages:
De directeur. Meneer Trifon is de naam. Hij heeft een aap en een duister verleden.
De aap trekt een breed familiepubliek en is onmisbaar voor de generiek. Daarin slingert de camera in het zog van de primaat heen en weer doorheen de kerncentrale. Een Withandgibbon of Maki is geknipt, zolang het maar niet zo’n afgezaagde chimpansee is. Je zou denken: ‘hé, dat mag toch helemaal niet, een aap in een kerncentrale???’ Het blijft natuurlijk wel Wallonië.
Meneer Trifon zelf is een vooringenomen, onbegrepen figuur. Zoals omschreven in het handboek Vlaamse fictie:
De baas is per definitie de incompetente eikel waartegen het slimmere voetvolk zich kan afzetten. Onthou altijd dat er onder de kijkers meer werknemers dan werkgevers zijn.
We hebben een oudere acteur nodig die zichzelf erg belangrijk vindt en steeds wijst op de dualiteit van zijn personage. Hij mag ook in geen enkel interview nalaten te zeggen dat zijn theaterwerk toch meer waarde heeft.
De sexy onderzoekster.
Sanne Smeets is een rol van Erika Vanthielen. Sanne is een dynamische jonge persoonlijkheid die haar lieflijk hoofdje geregeld stoot tegen het glazen plafond van de kernindustrie. Als de serie op het scherm komt, vertellen we er meteen bij dat de rol met Erika in gedachten geschreven is. Gaat er bij Focus Knack altijd in als zoete koek.
De ingenieurs. Een vijftal mannen die beroepshalve bliepende schermen in de gaten moeten houden. Het heeft geen zin om ze nu allemaal te introduceren want de helft gaat toch dood.
De kerncentrale. Eigenlijk is de kerncentrale het enige échte hoofdpersonage. Ze is roestig en lekt al eens giftig afval, wat voor een paar geslaagde running gags zorgt.
Scenario:
Bij het begin van elke aflevering komt een ambtenaar uit Brussel op controle. Er volgt dan een onderhoud met meneer Trifon, die het personeel bedrukt meldt dat ze moeten sluiten als ze de centrale niet dringend opgelapt krijgen. En kernenergie, dat is zijn leven! Naar verbouwingen kijkt natuurlijk geen kat, dus duiken er steeds weer nieuwe problemen op voor de ploeg van Tihange. De episodes met zombies, groene Fundi’s & bureaucratie zijn nu al klassiekers. Uiteraard raakt de centrale nooit opgekalefaterd.
Financiëring:
Valt zo uit het budget toerisme van Wallonië te plukken. Het kan niet anders of dat geld is op twee maanden terugverdiend. Tenzij ze ginds denken dat er ook nog maar iemand wakker ligt van die rottige Grotten van Han?
Vervolg:
In het tweede seizoen belandt de cast in een smakelijke Iraanse telenovelle.
Stad Gent doet kerstmuts in de ban
Wat velen vreesden, is uitgekomen. Schepen Mathias De Clerck kondigde bij de opening van de 15e Gentse kerstmarkt een algemeen verbod op kerstmutsendracht af. Het verbod geldt voor alle Gentse ambtenaren, politieagenten en boswachters. De Clerck vertelde vanachter zijn spreekgestoelte dat “wie in een openbare functie werkt, best geen uiting geeft aan zijn of haar politieke, filosofische of religieuze overtuiging. Gezien de aankomende kerstperiode, is het dan ook aangewezen om stante pede een verbod in te stellen.”
De talrijke Gentenaars van Laplandse origine, of mensen van Sami zoals ze zichzelf noemen, voelen zich geviseerd. De meeste Saami kwamen in de jaren ‘80 in Gent terecht, toen ze een verkeerde afslag hadden genomen tijdens de klopjacht op Rudolf, het roodgeneusde rendier. Sindsdien proberen ze hun nomadische levenswijze af te stemmen op de hectiek van de Westerse maatschappij.
(bron)
Vooral het Vlaams Belang vindt dat de Saami daar onvoldoende in geslaagd zijn: “Zeker tijdens de winter loopt het de spuigaten uit met die Lappen (sic). Dat zet zijn tent op waar het uitkomt, dat komt vissen aan de Graslei, dat rijdt ’s nachts beschonken rond op een slede,…Wij hebben er genoeg van! Ze moeten nu maar eens bewijzen dat ze zich willen integreren en onze cultuur willen overnemen! Zo’n kerstmutsenverbod is een goede zet tegen de Laplandisering van onze cultuur” aldus Francis Van den Eynde.
Ondertussen hebben verschillende bewegingen zich al uitgesproken tegen het verbod. Baas Over Eigen Hoofd (BOEH) heeft het over een manifeste discriminatie, terwijl professor mensenrechten Eva Brems er een paternalistisch beleid in ziet.
Het is nog niet bekend welke sancties zullen volgen op een overtreding van het verbod. Schepen De Clerck pleit voor de installatie van een hypermodern systeem dat Gent cadeau kreeg van haar Chinese zusterstad Shenzen. De zogeheten ‘schandschommel’ zou op de Vrijdagsmarkt het standbeeld van Jacob van Artevelde moeten vervangen, dat eerstdaags op de post gaat richting China.
De Clerck: “Met een dergelijke, transparante maatregel willen we overtreders en critici duidelijk maken dat wij evenveel belang hechten aan individuele vrijheden als onze Chinese partners. De schandschommel zal bovendien een belangrijk maatschappelijk trefpunt worden, waar we verder timmeren aan de hechtheid van onze samenleving.”
(bron)

